
‘Niet bouwen is ook een keuze’
24 maart 2026‘Weglaten waar het kan, duurzaam toevoegen waar het moet’
'Weglaten waar het kan, duurzaam toevoegen waar het moet'
Daan Zandbelt is sinds 1 januari 2026 de nieuwe Spoorbouwmeester van Nederland. Zijn ambitie: Paris Proof-stations en stationsomgevingen realiseren. Echte circulaire winst begint, zo betoogt hij, niet bij een houten perronoverkapping maar bij de vraag of je überhaupt moet bouwen, en waar.
Je staat bekend als stedenbouwkundige met een brede blik. Wat trekt je aan in de rol van Spoorbouwmeester?
'Stations zijn de plek waar de grote maatschappelijke opgaven samenkomen: woningbouw, klimaat, mobiliteit, sociale gelijkheid. Nederland heeft 180 jaar geleden zijn spoornetwerk aangelegd, en sindsdien zijn onze steden daar letterlijk omheen gegroeid. Die positie maakt het stationsgebied bij uitstek de plek om al die opgaven te bundelen. Dat is precies wat mij aanspreekt.'
Daan Zandbelt is Spoorbouwmeester en partner bij architectuur- en stedenbouwbureau De Zwarte Hond. Hij vervult de rol van Spoorbouwmeester twee dagen per week en houdt zich daarin bezig met het reizigersdomein en het omgevingsdomein van stations.

Daan Zandbelt, Spoorbouwmeester. (Foto Joni Israeli)
Je spreekt over 'Paris Proof-stations'. Wat houdt dat in?
'NS en ProRail zijn als publieke bedrijven gehouden aan het Klimaatakkoord van Parijs. Er wordt jaarlijks fors geïnvesteerd in stationsvernieuwing. Paris Proof-bouwen betekent dat we dat binnen een CO₂-budget doen. Maar ik zie dat als vertrekpunt, niet als eindpunt. Want de echte winst zit niet alleen in het gebouw zelf, die zit in de omgeving.'
Wat bedoel je daarmee?
'We weten uit onderzoek dat de dichtheid van een gebied voorspelt wat het mobiliteitsgedrag is. Dichtheid definieer je dan als het aantal inwoners plus het aantal banen binnen 2,5 kilometer van een adres. Hoe hoger die dichtheid, hoe minder autokilometers mensen maken. Als je binnen tien minuten fietsen vijf supermarkten, tien basisscholen en tienduizend banen kunt bereiken, waarom zou je dan verder rijden?
Als je de woningbouwopgave inzet om de omgeving rond stations te verdichten dan zorg je dat mensen minder hoeven te reizen. Dat drukt de CO₂-voetafdruk van een heel gebied. Veel meer dan een mooie houten overkapping op een station ooit kan doen. Dat betekent overigens niet dat je dat niet moet doen, circulaire keuzes in de uitwerking dragen ook bij aan de verlaging van de footprint van het spoor.'
Je benadrukt dat vroege keuzes in het proces doorslaggevend zijn. Hoe werkt dat?
'Op het moment dat je bepaalt óf je bouwt, wáár je bouwt, en wat de hoofdvraag is, leg je het leeuwendeel van je CO₂-impact vast. Daarna kun je de bal nog inkoppen of missen, maar het is relatief bezien achter-de-komma-werk. De hoofdimpact maak je aan het begin.
Neem de keuze voor een tunnel of een brug over het spoor. Dat lijkt een technisch detail, maar het verschil in CO₂-uitstoot is enorm. Als je die keuze vroeg in het proces bewust maakt met het koolstofbudget voor ogen, stuur je het hele project een andere kant op. Als je het pas laat in het proces bekijkt, is er al zoveel vastgelegd dat je alleen nog in de marges kunt sleutelen.'
Kun je dat concretiseren aan de hand van een project?
'Station Zwolle is een goed voorbeeld. In 2017 werd een visie gemaakt voor het stationsgebied. Op dat moment lag er een keuze voor: een nieuwe verbinding tussen de noord- en zuidzijde van het spoor als tunnel of als brug. Er is gekozen voor een houten passerelle over het spoor. Dat lijkt misschien een detail, maar de CO₂-besparing ten opzichte van een betonnen tunnel is aanzienlijk. Uit onderzoek dat Bureau Spoorbouwmeester heeft gedaan weten we dat station Ede-Wageningen een voorbeeld is van het tegendeel. Dit station heeft een veelgeprezen houten overkapping en is met de kennis van toen ontworpen. Maar in die kap zit een forse stalen constructie, en eronder ligt een grote reizigerstunnel van beton. Netto is de houten kap nauwelijks CO₂-neutraal: het hout compenseert net het staal. Maar inclusief de betonnen tunnel en fietsenstalling voldoet het station als geheel nu niet aan de Paris Proof-norm voor 2030.'
Hoe bepaal je wat een station wél of niet nodig heeft?
'Weglaten waar het kan, en iets duurzaams toevoegen waar het écht moet. Een overkapping moet er zijn, dat is een kernfunctie. Maar we bouwen ook veel ondergronds terwijl bovengrondse oplossingen soms prima werken. Bovengrondse verbindingen zijn bovendien vaak sociaal veiliger: een brug overdag is veiliger dan een tunneltje. Tegelijkertijd is dit geen dogma. Soms is een goede onderdoorgang gerechtvaardigd, bijvoorbeeld als die verbinding er voor zorgt dat de omliggende wijk de mobiliteitstransitie doormaakt. Meer fietsen, lopen en OV gebruiken, minder autorijden. Dan kan het totaal van het gebied per saldo minder uitstoten. Maar dat is een beredeneerde afweging, geen automatisme.'
Kun je een voorbeeld geven van zo'n beredeneerde afweging?
'Station Den Bosch moet qua capaciteit worden uitgebreid. Er lagen varianten op tafel: sloop van de bestaande traverse en een nieuwe bredere traverse met interwijk of een tunnel onder het spoor. Uit ons CO₂-onderzoek bleek dat een nieuwe traverse met interwijk— met behoud van zoveel mogelijk van het bestaande stationsgebouw en de fietsenstalling — veruit de beste optie is. Dat is ook de koers geworden. Bewaren en verbeteren in plaats van slopen en opnieuw beginnen. Dat is circulair bouwen in de praktijk.
En in Schiedam werken we aan een onderdoorgang die een kwetsbare wijk verbindt met een mbo-opleiding aan de andere kant van het spoor, en met een bedrijventerrein waar veel banen liggen. Die banen worden nu niet gevonden omdat de barrière te groot is. Dát is de reden om daar wél te investeren in een betonnen verbinding.'
'Architectuur gaat over miljoenen, stedenbouw gaat over miljarden — in euro's én in tonnen CO₂.'
Je pleit er sterk voor om uit te zoomen en de hele omgeving van een station mee te nemen in de overwegingen. Maar de circulaire economie gaat toch juist over materialen, hergebruik, demontabel bouwen?
'Dat is het misverstand dat ik steeds opnieuw tegenkom. Natuurlijk wil je tot op moleculair niveau circulair bouwen, conform de wet van behoud van massa. Bouwmateriaal hergebruiken als puin onder een weg is een eerste begin. Hele bouwelementen hergebruiken is beter. Maar circulariteit gaat niet alleen over het slim verwerken en hergebruiken van sloopmateriaal, het gaat vooral over het voorkomen van sloop door bestaande gebouwen en gebieden vitaal te houden. Je bent pas écht goed bezig als je bestaande gebouwen, wijken en steden zó weet te onderhouden, aan te passen en te vernieuwen dat ze generaties lang bruikbaar blijven. Dát is circulaire economie.
Het is bijvoorbeeld contraproductief om in een weiland een nieuwe woonwijk aan te leggen. Ook al maak je die helemaal demontabel. Je breekt maagdelijk landschap op, je investeert in grond, infrastructuur en bebouwing. En dan noem je het circulair omdat de gebouwen losmaakbaar zijn. Terwijl je ook een bestaand stuk stad vitaal had kunnen houden.'
Maar er moeten toch een miljoen woningen bij? Die passen toch niet allemaal in bestaande steden?
'In Nederland staan al acht miljoen woningen. Er hoeven maar een miljoen bij. Dus naast of binnen iedere acht woningen moet er één bij. We hebben vijf miljoen eengezinswoningen, terwijl er maar tweeënhalf miljoen gezinnen zijn. En dan heb je ook nog andere gebouwen die geschikt kunnen worden gemaakt voor bewoning, zoals kantoorgebouwen. Ruimtetechnisch past dat dus best goed binnen de bestaande voorraad: splitsen, opttoppen, herbestemmen.
En kijk naar de Novex-woningbouwlocaties die het Rijk heeft aangewezen: zo'n vijftig gebiedsontwikkelingen, waarvan zeker veertig in bestaande steden op fiets- of loopafstand van een station liggen. Daar zit al capaciteit voor ruim 600.000 woningen in. Dan heb je nog geen woning gesplitst of opgetopt. Het past als je het wílt laten passen.'
IJburg wordt in dit verband vaak als succesvol voorbeeld opgevoerd. Jij ziet dat anders.
'IJburg is een ijsberg. Het zichtbare deel met mooie houten woningen en duurzame architectuur krijgt alle aandacht. Maar wat je niet ziet zijn de betonnen heipalen van zestig meter diep en de grondstoffen die nodig zijn voor de kunstmatig opgespoten eilanden, midden in het voormalige Markermeergebied. De wijk is ook monofunctioneel: er zijn bijna geen banen en geen voorzieningen. De meeste bewoners zijn voor alles afhankelijk van de auto of een lange tram- of fietsrit.
En er zit ook een sociaal wrange dimensie aan. De mensen die naar IJburg konden verhuizen waren de geluksvogels — maar de wijken waar ze vandaan kwamen, verloren hun kansrijkste inwoners. Zo heeft ook de Vinex-wijk in Barendrecht kansrijke bewoners uit Rotterdam-Zuid weggezogen: ze gingen niet meer naar dezelfde sportclub, dezelfde basisschool, dezelfde supermarkt. Nu moet de Rijksoverheid een miljard euro investeren om Rotterdam-Zuid er weer bovenop te helpen. Dat zijn de verborgen kosten van schijnbaar circulaire nieuwbouw.'
'Het is contraproductief om in een weiland een nieuwe wijk te bouwen die helemaal demontabel is.'
Tilburg wordt door jou als positief tegenvoorbeeld gezien. Waarom?
'Station Tilburg had aan de noordzijde een enorme achterkant: spooremplacementen, werkplaatsen, industrie. Door een aantal gerichte onderdoorgangen en een gebiedsontwikkeling is dat nu onderdeel van de stad geworden. Er is een tweede voorkant ontstaan, met nieuwe woongebieden. Met relatief beperkte ingrepen is de zesde stad van Nederland volledig van karakter veranderd. Vijfentwintig jaar geleden was Tilburg misschien het lelijke eendje van Brabant. Nu kan het de concurrentiestrijd met Breda en Den Bosch makkelijk aan. Dat is wat een gerichte investering in de stationsomgeving kan doen.'
En hoe kijk je tegen Zuidasdok in Amsterdam aan?
'Vanuit dezelfde circulaire bril eigenlijk best goed. Het is een investering in een centrale plek in de Amsterdamse regio. Een relatief bescheiden station in een bombastische omgeving, maar met twee royale passages die toekomstbestendig zijn, voor reizigers én als interwijkverbinding. De snelweg gaat ondergronds, de barrières tussen de noord en zuidzijde worden geslecht. En het station bedient de as van een enorm werkgelegenheidsgebied: VUmc, de universiteit, kantoren. Als je zorgt dat mensen op fietsafstand van die werkgelegenheid wonen, scheelt dat onevenredig veel autokilometers. Dat is de logica.'
Waar loop je tegen aan als je dit verhaal vertelt aan opdrachtgevers en politiek?
'Ik ben nog maar drie, vier maanden bezig, dus ik zit nog in mijn wittebroodsperiode. Maar ik herken de Excel-sheets en de reflex dat 'het allemaal niet kan'. Tegelijkertijd denk ik dat er juist nu een kans ligt. Als IenW zegt dat er geen geld is, dan is het misschien juist aantrekkelijk om te laten zien dat één investering tien maatschappelijke opgaven tegelijk adresseert: woningbouw, klimaatadaptatie, sociale gelijkheid, mobiliteit, circulaire economie. Dan kun je ook bij andere departementen aankloppen. Dat is een torenhoge ambitie, maar ik ga er wel voor.'
Wat wil de werkgroep ‘vraag anders, bouw beter’ bereiken?
De werkgroep richt zich op het stimuleren van de toepassing van de drie R-strategieën refuse, rethink, reduce in de bouwsector. Onze visie is dat door op het juiste moment de juiste vragen te stellen, we soms bouw of delen daarvan kunnen voorkomen. Doordat iets niet (meer) nodig is, of de behoefte op een andere manier kan worden ingevuld. En dat we daarmee een flinke circulaire winst kunnen boeken in materialen, CO2 of euro’s.
Waarom vinden we dit een inspirerend voorbeeld van Narrow the Loop?
Werkgroeplid Laetitia Nossek lihct toe: 'Dit interview is een inspirerend voorbeeld voor ‘vraag anders, bouw beter’ omdat Daan overtuigend laat zien dat de grootste circulaire winst niet zit in het optimaliseren van gebouwen, maar in het stellen van de juiste vragen aan het begin van het proces: óf je bouwt, waar en waarom. Door uit te zoomen naar de omgeving, functies te combineren en kritisch te kijken naar wat je kunt weglaten, verschuift de focus van duurzaam bouwen naar het verminderen van de totale impact op systeemniveau. Daarmee illustreert het scherp hoe Narrow the Loop gaat over minder en slimmer bouwen, in plaats van alleen beter bouwen. Daarnaast laat dit ook goed zien hoe het hebben van een specifieke doelstelling, zoals een carbon budget, helpt in het denkproces. '





